Het Vrouwtje van Stavoren

Vrouwtje van Stavoren
Het was in den zomer, en alles was rijk aan kleur en vreugde. Er was
zonnelicht over de zee, zoover men zien kon. Golven van zonnelicht
dansten met elkander, en ze zetten haar spel voort tot ver in de
haven van Stavoren: wie kon denken, dat het dezelfde golven waren, die
boosaardig in den winter, tuk op buit, de vlakke streek bedreigden? De
schepen dodeinden mede in de blijde wiegeling der zee, en ook hun
wimpels, ze wapperden op dezelfde maat. Waren het de durvende, grimmige
schepen, die tot verre voeren, naar de landen der Denen, der Noren,
naar de steden der Hanze, diep in het Duitsche land, onvervaard tegen
storm en roover? Ernstig was immers hun taak, ze brachten den rijkdom
aan hun aller meesteres, de vrouwe van Stavoren. Háár behoorde de
zee. ’t Was echter niet háár wil, dat de wereld op dezen zomerdag
een feest was en niet háár ter eere dansten de statige schepen.

De kinderen stoeiden in de straten. Ze speelden haasje-over, en ze
sprongen in rijen, lieten elkaar nu eens los, voegden zich dan aaneen,
drongen naar een onbekend doel, en verspreidden zich ineens lachend
van elkander. Het geleek, of aldus de golven der zee haar spel binnen
de stad voortzetten.

De zomerdag was zelfs in de huizen. Het zonnelicht liet zich niet
buitensluiten, het sloop langs reet en spleet, over riet en hout,
tot het zich spreidde in ’t binnenst der woning. Wat wist het van
beletselen? Waar het bijkans nog nooit was geweest — in de kameren
der vrouwe van Stavoren — was het met fleemend geweld gedrongen.

Hoog en eenzaam zat zij op haar stoel, de vrouwe van Stavoren. Ze
lette niet op de geluiden buiten, noch op het zonnelicht, dat blank
aan haar voeten lag. Ze staarde voor zich uit, en leefde in haar
eigen gedachten:

Morgen zouden hare schepen uit-varen, alle vijf. Het zou maanden duren
tot zij zouden wederkeeren; doch ook die tijd moest komen. Dan zou ze
haar goudgeld niet meer kunnen tellen. Ze zou het bergen op verscholen
plaatsen, opdat begeerige oogen het niet konden vinden. Wie zou dan
rijker zijn dan zij?

Hierover dacht de vrouwe van Stavoren op dezen dag, terwijl haar
schepen wiegelden in het zonnelicht. Ze haatte de vreugde, die
alomme was, het spel, dat ze niet verhinderen kon. Hoog en eenzaam
zat ze. Doch plotseling geschiedde er iets buiten op straat. Er was
kinderlachen geweest van den vroegen morgen en ’t hield eensklaps
op. Het vervloeide niet, het stierf niet weg … het stiet aan tegen de
stilte. Ja, inééns was het doodsstil, terwijl het zonnelicht bleef. Het
was niet de stilte vóór naderend onweer, of vóór den storm, die zijn
zwarte, zware wolken aan den glanzenden horizon doet rijzen. Niets
van schaduw was er en de vrouwe van Stavoren hief verwonderd ’t hoofd.

Toen klopte ze op de tafel, en nòg eens, ongeduldig.

De dienstmaagd stond voor haar.

“Ga zien, wat op straat is, Margriet, en breng me de tijding.”

Weder zette ze zich recht, en ze wilde haar gedachten in den
vroegeren gang doen keeren. Eens zouden haar schepen terugkomen,
alle vijf …. En ’t goud …. Haar blik wendde zich naar een andere
richting. Was daar niet zooeven zonnelicht aan den wand geweest? Zou
toch onweer dreigen? Hoe stil was de stad. Margriet zou dadelijk wel
terug zijn …. Misschien was er een nieuw schip in de haven! Een zeil
was in de verte gezien, dat men niet kende? Gingen vreemde zeevaarders
aan land? Of zou er iets met haar eigen schepen …?

Ze klemde haar hand vast om ’t hout.

Neen, dat zou niet mogelijk zijn. En toch ….

Neen, op dezen stillen zomerdag kon in de haven van Stavoren geen
schip vergaan!

En toch …?

Wanneer de vijf vaartuigen weder … zou zij de rijkste ….

Waar bleef Margriet?

’t Zonlicht was zooeven niet op den wand geweest, wel aan haar voeten,
waar ’t nu ook lag.

Waarom wilden haar gedachten niet terugkeeren?

Angstig zag zij om zich heen. Ze stond op van haar stoel, en ging
uit de kamer. Ze werd naar de stille straat gedreven.

Niemand zag ze. Geen geluid hoorde ze. Onbewegelijk was ’t felle
zonlicht.

Haar bloed woog zwaar in haar willoos lichaam, en als een sterke band
voelde ze den angst om haar brein. Stap voor stap naderde ze de haven
…. Wanneer haar schepen?

Niets was geschied. De schepen wiegelden in het zonnelicht, zacht
speelden de golfjes, het zonlicht was over de zee, en niet één klein,
wit wolke-lijntje beefde aan de star-blauwe lucht.

Ze bemerkte, dat allen uit de stad zich tezamen ver, drongen, en
trotsch liep ze naar het volk, de vrouwe van Stavoren, die geen vrees
behoefde te kennen. Ze sprak slechts enkele woorden: “Gaat op zijde,”
en allen maakten voor haar plaats.

Een in lompen gehulden man zag zij. Hij lag neder op den grond, van
honger en uitputting bijkans bewusteloos. Zijn voeten waren bloot,
en straaltjes bloed liepen uit ’t gepijnigde vleesch. Om zijn magere,
doodswitte beenen was ternauwernood nog een rafel goed. Doch ‘t
vreeselijkst om te aanschouwen waren zijn handen, die lang gestrekt
waren. ’t Geraamte schemerde er als een schaduw doorheen. Zijn mond
was iets geopend: de tanden stonden los in ’t bleeke vleesch. Kin en
wangen waren diepe kuilen, hoog waren de beenderen geschoten.

Er was geen vreeswekkender armoede dan de zijne.

Wat dacht de vrouwe van Stavoren?

Natuurlijk wilde ze eenige lieden roepen, die den man naar haar
huis moesten dragen. En zelf zou ze hem verkwikken, en hem reisgeld
geven, wanneer hij verder trekken wilde. Zijn gekneusde voeten zou
ze met kuisch linnen omzwachtelen, zijn verteerde leden bekleeden,
en gelukkig zou ze zijn, dat zij den armen man had gered.

Waarom bleef haar trotsche mond gesloten?

De man richtte zich iets op, en zag naar haar. Zijn oogen …. Hoe ze
staarden naar de rijke vrouwe, die slechts één woord had te spreken,
en de Dood was verjaagd! Nimmer voor dien tijd had men geweten, dat ze
zóó machtig was. Ze kon den Dood verdrijven, wanneer ze dit verlangde.

Men wachtte op haar milden troost.

En toen begon de man te spreken.

“Help mij,” zoo smeekte hij. Met moeite wendde hij zich, hij knielde,
en strekte zijn magere armen naar haar uit. Meer nog dan zijn woorden,
was dit zwijgend gebaar een bede.

En geen gestalte in de drom van menschen, welke in zijn beidende
onbewegelijkheid niet mèt hem smeekte.

Want zij allen gevoelden het, dat alleen de vrouwe van Stavoren redden
kon. Wat was de Dood tegen haar? Met het uitstrekken van éénen vinger
dreef ze den honger ver buiten de stad! Wanneer zij even glimlachte,
was de armoede in een land verdwenen. En men wachtte — Men wachtte
bang. De vrouwe van Stavoren lette niet meer op den armen man.

Ze staarde naar de zee — Haar schepen waren nog in de haven. Morgen
al zouden zij zee kiezen. In haar ooren klonk het tinken van het geld,
dat ze winnen zou. Zij gevoelde haar trots als een bedwelming, een
roes van blijden angst; en ze sidderde in haar kleed van goudbrocaat,
vol eerbied voor haar eigen rijkdom. Van de schepen gleed haar blik
naar haarzelve, en ze bezag zich, zooals zij stond temidden van het
nederige volk, voor den man, die zijn handen naar haar uitstrekte. Van
verre schenen zijn woorden te komen, zoo zwak was zijn stem:

“Help mij.”

En van alle zijden druischten de stemmen op haar in: “Help hem.”

Vleiend bewonderden haar oogen de granaatappelen, de bloemen, de
ranken, rijk geweven in haar statig gewaad. Elke figuur zag zij aan:
als in een wonderschoonen droom glimlachte ze.

Allen meenden, dat haar milde daad volgen zou. Ze glimlachte zeker
om de goede gedachten, en het geluk van ’t medelijden was in heur
hart. Hoe zalig zijn zij, die geven mogen. Welk een gave is de rijkdom
voor hen, die milddadig zijn.

De arme man deed zijn handen zinken.

Het verlossend woord zou nu worden gesproken.

Ach! niemand wist, dat ze slechts gelukkig was om haar kleed, en dat
zij niet had geluisterd naar den kreet van den arme. Niemand wist,
dat ze maar droomde van een weefsel van granaatappelen, bloemen en
ranken, en dat ze niet begreep, hoe men op haar goede gaven wachtte.

Daar zij bleef zwijgen, hief de man met meer moeite zijn armen op. Nog
zachter, nog verder klonk zijn stem:

“Help mij.”

Het volk zweeg. Wie was het, die beter nog vragen kon? Vast-geklemd
was aller verwachting aan het gelaat der trotsche vrouwe.

Toen zag ze naar den smeekeling. Ze strekte haar hand uit, niet om
te geven. Met schrik luisterde men naar haar woorden.

“In Stavoren is geen plaats voor zwervers en bedelaars. Wij hebben
geen lieden noodig, die niet werken willen. Maak, dat ge heen-gaat. En
gij allen! is er geen arbeid te over in deze stede, dat ge uit uw
werkplaatsen rent?”

Geen kracht had de arme, zijn handen te doen zinken. Zijn hoofd bleef
naar haar gericht, en ’t geleek, of hij haar bleef smeeken. Roerloos
was het volk, de mannen zelfs van haar schepen.

“Niemand behoeft te helpen, want het kwade voorbeeld zal niet gegeven
worden in Stavoren. Het kwade voorbeeld is de pest, gaande van huis
tot huis. Schaamt u, gij allen, die het kwade voorbeeld niet verjaagt.”

Was er iemand, die iets mompelde? Er was een stem geweest, die
verklonk.

Iemand had gedreigd.

Hooger richtte zich de vrouwe van Stavoren, en haar oogen, machtiger
dan de Dood, zagen van den een naar den ander. Zoo vorschte ze uit,
wie zou hebben gemompeld. Het was slechts een rimpeling van wrok
geweest, en in de roerloosheid was deze al opgelost.

“Ga weg uit Stavoren,” zeide eindelijk de vrouwe weder tot den
bedelaar, “en weet, dat ge hier niet wederkeeren zult.”

“Ik ben stervende — een bete broods!”

Er was een man in de menigte, die naar zijn huis wilde gaan, om
’t voedsel te halen. De stem der vrouwe riep hem.

“Blijf hier! Zoo hij sterven wil, is dit zijn plaats.”

Toen stond de arme man op. Het mirakel geschiedde. Als een jongeling
was hij, rank en recht, en zijn stem was als van een ridder, die
uitdaagt ten strijd. Er was een vlam in zijn oogen, die fel uitschoot
naar de trotsche vrouwe.

“Vloek over u.”

Ze deinsde niet terug. Schamper lachte ze.

“Wie durft mij te vloeken — ” en ze strekte haar hand uit, en wees
naar de vijf schepen, wiegelend in de haven.

“Ziet gij ze daar — Mijn zijn ze.”

De bedelaar liep krachtig op haar toe, tot hij vlak voor haar
stond. Bijna raakte zijn gelaat ’t hare. Fluisterend hernam hij ‘t,
zoodat zij alleen het hoorde.

“Ze zijn van de zee, vrouwe van Stavoren. Ge zult sterven … armer
en ellendiger dan ik — ”

Zwijgende nam zij den ring van haren vinger, en ze wierp het kleinood
in de golven.

“Eerder komt die ring terug — ellendige bedelaar voor uw woorden
waar zijn. Ik ben de vrouwe van Stavoren!”

“Veracht en niet beklaagd,” fluisterde hij. “Hoe vreeselijk zal uw
lot zijn. Bedenk u nog éénmaal.”

“Ik heb mij niet meer te bedenken.”

“Bij Christus-bloed! de ring zal wederkeeren.”

Ruggelings viel hij neder, nadat hij dit nog had gezegd. Zijn magere
leden strekten zich recht. De oogen werden gebroken. De mond sloot
zich. Zijn kleederen waren losse stukken dek, neergesmeten over een
naakt en schamel lijk.

“Keert naar uw woningen!” gebood de vrouwe van Stavoren tot het
volk. “Mijn mannen zullen den doode in zee werpen. En weet het allen,
dat dit een voorbeeld is voor de luiaards. Wie niet werken wil,
heeft geen brood, en sterft des hongers.”

Het zonnelicht was over het bruisende, wijde water. Het zonnelicht
was in de straten. Doch niet meer speelden de kinderen dezen dag,
en de stad was dood. In de stille huizen zaten de menschen, vloek en
wrok in de lijdende harten.

In hare eenzame woning zat de vrouwe van Stavoren.

De dag ging voorbij, en de avond kwam.

In het duister wierp een man, in dienst der vrouwe, het lijk in
zee. En den volgenden dag voeren alle vijf de schepen af. Het volk
van Stavoren staarde ze na, en niemand sprak een woord.

Toen kwamen nieuwe dagen, de tijd werd volbracht. ’t Verleden was
vergaan — ’t heden vervloeide in de eeuwigheid. Vergeten was de
vrouwe van Stavoren den zomertijd, en ze dacht aan de uren, dat haar
schepen wederkeeren zouden. — Wat was de vloek van den bedelaar
voor háár?

De herfst ging immers voorbij, zonder een kwaad teeken? De winter
volgde de herfst, en ziet, daar kwam een koerier uit Hamburg,
die vertelde van de goede dingen, welke een der schepen in Hamburg
had geladen. Fel klopte ’t hart der vrouwe, en ze gaf den koerier
vriendelijke woorden. Toen kwam de blijde lente, en de uitbundige
zomer trad aan in den dans der getijden.

Het was op een dag, gelijk van kleur en vreugde als een jaar geleden,
dat de kinderen weder speelden in de straten der stede, en er liederen
schalden van wijd en zijd. Het zonnelicht was tot diep gezonken in
de zee, en drong verre in de huizen.

Niemand lette op den eenzamen man, die op zijn schouders een grooten
mand droeg, en langzaam, schijnbaar doelloos, zijn weg ging. Hij liep
langs de spelende kinderen, en hij stond stil voor ’t huis der vrouwe
van Stavoren. Hij klopte aan haar deur. Zij-zelve deed hem open,
en vroeg zijn begeeren:

“Eenen visch heb ik gevangen, zoo groot, als nog nooit een mensch
heeft gezien. En ik dacht — dat is spijs voor de rijke vrouwe.”

Zij zeide:

“Toon mij den visch, dat ik oordeelen kan.”

Hij sloeg ’t deksel van, de mand op en hoog sprong het levende dier,
en viel, den wijden bek in ademsnood open, tegen den grond. Zich
wringende in bochten hersprong en herviel hij. Hij mat meer dan de
lengte van de uitgestrekte armen eens mans, gemeten van de uiterste
top van middelvinger tot middelvinger, en zijn kop was bijkans zoo
groot als de breedte van een mannenborst van schouder tot schouder. Als
een maliënkolder was zijn sterk, geschubd lijf, en zijn steert beukte
tegen den vloer met het geweld van eenen hamer.

“Al sinds den morgen worstelt hij zoo met den dood,” sprak de
visscher, “en ge moogt wel een zwaard gebruiken, zoo ge hem wilt doen
sterven. Dat is voedsel voor u, bijlo! gij kunt er u aan vergasten.”

Ze wendde haar trotsch gelaat naar hem, en sprak:

“Mijn is deze visch. Wat de prijs zij, ik zal er u voor betalen. Of
beter — ” en ze opende haar beurs — ‘t. Goud viel op de
straat. “Dat is voor u.”

Zij kende zichzelve niet weder. Zij gevoelde het, dat zij dezen visch
moest bezitten. Niet dong ze af, gelijk het hare gewoonte was. Het
geleek, of een stem in hare ziel haar dwong, zich van de koninklijke
spijs meester te maken; en zij zelve besloot het wilde dier te dooden.

De koopman droeg den visch binnen haar keuken, en liet haar
alleen. Niemand in de stad had bemerkt, welk een kostbaarheid ze
had gekocht.

De vrouwe van Stavoren nam een mes en knielde neder. Ze wachtte
niet, en sneed met forsche rukken den kop af, en opende het lijf
terzijde. Toen tastte ze diep in ’t smeuïg vleesch — haar vingers
stieten tegen iets hards — ze greep — In haar hand hield ze
een ring — Ze duizelde.

Het was de ring, dien ze in zee had geworpen…

Ze staarde ernaar in waanzinnigen angst. Ze wilde iets roepen … ze
wilde zich verbergen — ze wilde den ring van zich werpen, doch
deze vrees was nog machtiger dan de vreeze des doods, en ze moest
zien naar het goud in hare hand. Ze had den drang te vluchten, en
huilende liep ze naar buiten, op straat, waar de kinderen speelden.

Het volk stroomde toe en omringde haar. Geen mensch naderde. —
Ze stond alleen in den wijden kring, met haar waanzin alleen.

“Help mij,” kreet ze eindelijk in vertwijfeling. “Al mijn rijkdom
voor wie me den ring ontneemt.”

Niemand had ontferming. Toen wilde ze den ring van zich werpen. Het
gelukte haar niet. Machteloos was ze gelijk een bedelaar, want haar
rijkdom had geene waarde meer. Niemand wilde haar bijstaan. Zij was
vervloekt door haar slechte daad.

Want van haar vijf schepen keerde er geen weder in Stavoren. Ze
wachtte in haar eenzaam huis op hunne tijding. Ze zag het licht
rijzen, het duister dalen, vele keeren. Als ze van straat hoorde,
dat er een zeil was, aan den horizon der zee, liep ze naar de haven,
en alleen stond ze. Maar nimmer was het een schip van háár.

Men vertelt van de vrouwe van Stavoren, dat haar geld slonk. Iederen
dag kromde zich haar rug méér. Een oud, hulpeloos vrouwtje werd ze,
met geel gerimpeld vel en met bevende handen. Ze leunde op haar stok,
als ze naar zee zag. En dit was misschien wel haar vreeselijkste straf:
dat ze hoopte op de terugkomst der schepen.

Haar oude, moede oogen tuurden naar de eindelooze verte en de angst der
verwachting omknelde haar keel als een strop. lederen dag strompelde
ze naar naar huis, denkend: “Morgen zullen ze komen” —

En zoo gingen de dagen voorbij, tot er niets meer was in haar
woning. Ze verkocht haar huis, en leefde voortaan in een krot. En
toen kwam het uur, dat haar laatste duit voor brood was betaald.

Steunend op haar stok, en tastend — want bijkans blind was ze —
ging ze van huis tot huis, bedelende om der barmhartigheid wille. Ze
klopte aan de huizen, het vrouwtje van Stavoren. De deuren bleven
voor haar gesloten, en ze betwistte met hare zwakke, bevende vingers
den honden hun voedsel.

Nederlandsche Sagen en Legenden
Josef Cohen

Advertenties